24 januari 2006

24 januari 1990

Leerling

Iedere ochtend gaat hij trouw naar school,
door wind en wind, van kilometers ver
-moe heeft z'n brood gesmeerd, hem uitgezwaaid-.
Hij zet z'n fiets weg en haast zich gedwee
naar het lokaal. Gaat zitten. Dan 't gebed:

Dat ze vandaag maar weer kracht-van-omhoog
ontvangen mogen en hun werk met ijver
volbrengen. Amen. Dan begint de les.

Zo gaat dat alle dagen door. Hij leert
en leert en leert en hij doet z'n best.
En later zal hij veel verdienen en vanuit
de hoogte neerzien op het ouderlijk nest.

Anton Korteweg

Dag Dagkalender poëzie...

De eerste keer dat ik een gedicht uit de Dagkalender poezie 1990 op mijn weblog zette was het 17 januari 2005. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden en aangezien ook het jaar 1990 365 dagen telde zijn alle dagen, met hun gedicht, nu voorbijgekomen. Er zit niets anders op dan deze categorie af te sluiten. Of toch?

Ook is het nu wel tijd te onthullen dat ik overigens helemaal niet zo'n gedichtenlezer ben. Veel meer dan een bundel of vijf zul je in mijn boekenkast niet aantreffen. Toch mag ook niet de indruk ontstaan dat ik de gedichten die Hans Warren destijds verzamelde alleen heb gelezen met het oogmerk vulsel voor mijn weblog te vinden. Zon erg is het nu ook weer niet.

Om zo af en toe nog eens een gedicht te kunnen meenemen, zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot die vijf a zes bundels, die nu al opgewonden raken bij het idee dat zij nu eindelijk eens van de plank gehaald zullen worden. En ook zijn er vast nog wel gedichten in de Dagkalender die ten onrechte niet verschenen zijn. Zo lees ik vandaag het gedicht Leerling van Anton Korteweg. En waarom zou ik je dat onthouden?

4 januari 2006

4 januari 1990

Mijn liefste wil bij mij niet
Wonen, mijn liefste wil niet
Zijn met mij. Een treintje van
Liguster tuft door tuinen
En in weerspiegeling zwieren als
Wissers wilgetakken over
Ruiten van auto's die ook zelf
Stilstaan. Voor het raam
Strijk ik mijn dichtershemd van
Zij. Mijn liefste wil niet zijn

Bij mij. Badkamers, binnensten
Van huizen. Onder water geef
Ik mij over aan het piano-
Gerucht van buren en het
Murmelen van de buizen.
Haar gezicht is gesluierd
Met haar als met wolken, met
Fladderend strooisel van ogen,
Stuifmeel van sterren, vrolijke
Oorlog. Het is nieuwjaar.

Elly de Waard

2 januari 2006

1 januari 1990

Nieuwjaar

De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is 't en waardoor?

Tegen het leven is toch immers niets te doen;
De wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
En 't hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen:
Er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.

J.C. Bloem

18 december 2005

18 december 1990

Erwtjes

Toen ze een meisje was van zeventien
moest ze een hele middag erwtjes doppen
op het balkon. Ze wou de teil omschoppen.
Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.

Toen ging ze maar wat dromen, van geluk,
en dat geluk had niets van doen met erwten
maar met de Liefde en de Grote Verte.
Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk.

En dat is meer dan vijftig jaar terug.
Ze is nu zeventig en heel erg fit
en altijd als ze 's middags even zit,
mijmert ze, met een kussen in de rug,

over geluk enzo... een beetje warrig,
maar het heeft niets te maken met de Verte
en met Liefde ook niet. Wel met erwten,
die komen altijd weer terug, halsstarrig.

Ach ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien,
daar in mijn moeders huis op het balkon,
bezig met erwtjes doppen in de zon.
Dat was geluk. Toen was ik zeventien.

Annie M.G. Schmidt

13 december 2005

13 december 1990

Huis

Het huis staat met zijn grauwe muren
kouwelijk in de decemberregen
en leunt met zijn figuur verlegen
op zijn smallere, lichtere buren.

De winkel onderin is al jaren gesloten,
geen frêle kleren meer in felle kleuren,
maar echtscheiding, man sloeg vrouw dood en
de familie is verdeeld over verkopen of verhuren.

Peter Verstegen

6 december 2005

6 december 1990

Tekst voor een wijnkaart

O, drank, je hebt zoveel verpest.
Toch ben je in mijn dorstig leven
altijd die ene hoer gebleven,
die mij het diepste heeft gelest,

want hoe je me ook hebt geflest
door altijd (en ik kon het weten)
al je beloften te vergeten,
als je weer klaar lag voor de rest,

en hoe je m' ook hebt uitgemest
door alles wat je van me nam,
ik leefde als ik bij je kwam,
bij jou alleen. Dat weet je best.

Je grokstem en je valse streken,
de stomme platheid van je spreken
en van je bed de wulpse stank,

't was niets, als ik maar weg mocht zinken
in jou om steeds weer in te drinken
jouw zoete leugen - bitt're drank.

S. Carmiggelt

4 december 2005

4 december 1990

Sinterklaasversje

liefste, in maannacht huilen
steeds de wolven in het bos;
in de bomen zitten uilen
en de waakhonden zijn los.

en over de velden dwalen
klamme spoken uit 't moeras;
nergens zijn er nachtegalen
maar wel adders in het gras.

liefste, zal ik toch maar komen,
zijn wij beter af alleen?
zie, de maan schijnt door de bomen,
maar wie heeft een paard te leen?

Bergman

2 december 2005

2 december 1990

Op vederlichte voeten

Op vederlichte voeten
betreedt de hemel nu het aardrijk.

Troost in een dood seizoen
ligt daar de eerste sneeuw.

J. Eijkelboom

27 november 2005

27 november 1990

Het ruikt naar winter
en ik heb er zin in.
Het ruikt naar ijs en
naar een rood soort blauw,
naar de ervaren voorbereiding
van een kwetsbaar groen begin.

K.L. Poll

22 november 2005

22 november 1990

Die, sloot verlaten, in de hemel
uit vissen meende te moeten gaan,

ving het vuur, hing, maanden nog, aan
een hoogspanningskabel te waaien,
steeds rafeliger en valer.

Was eindelijk zo mooi versleten,
als was hij nooit reiger geweest.

Toen kon ik me weer vergeten.

Anton Korteweg

19 november 2005

18 november 1990

De reiger en de vis

Een visje nam een reiger waar:
'Beweeg u eens? Hee! Bent u daar?!'

De reger hield zich extra star;
alleen zij kuif woei in de war.

De vis vroeg dodelijk dichtbij:
'Zie ik u? Of ziet u mij?'

Pijn! Kort kon hij in de lucht
de reiger zien in vogelvlucht.

De reiger slikte tot zijn maag
spartelde: verse vis vandaag.

Hetzelfde werk had voor de vis
een diepere betekenis.

MORAAL

Mondje open, oogjes dicht:
ecologisch evenwicht.

Leo Vroman

11 november 2005

11 november 1990

Toen mijn vader
In de bittere kou der
11-novemberviering,
In alles gelovend nog,
Alles verwerpend tevens,
Zijn zoveelste decoratie
Beleefd in ontvangst nam,
Toen dacht ik: mijn vader
Is onsterfelijk.

Sinds hij dood is
Ben ik sterfelijk geworden.

Hij dacht dat geen toekomst
Hem noch ons beschoren was,
Maar hij speelde het spel mee.
Hij nipte van zijn glaasje wijn
En knikte me toe, bedoelend:
Laat nooit iemand merken
Dat je de misdadigers doorziet.

En ja, ik speel het spel mee.
Al was het maar
Om hem niet bang te maken.

Ben Cami

7 november 2005

7 november 1990

Hommage à qui

Als ik sterf dan
liefst zoals Sarah Bernhardt.
Theatraal, groots, ontroerend.
En dan weer opstaan
voor de bloemen.

Hans R. Vlek

6 november 2005

6 november 1990

Insomnia

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliet gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel 'te wapen',
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van 't paren
Is niet minder dan de wieg het graf.

J.C. Bloem

31 oktober 2005

31 oktober 1990

Na Versailles

November bijna en op 't grasveld naast de cementfabriek
waren ze vliegtuigpropellers aan 't verzagen
tot brandhout, ja, gewoon met de spanzaag
ze kleedde zich uit maar ik moest blijven kijken
naar die man en dat jongetje, daarzo bezig, al maandenlang

ze pakte 't geld aan van over de and van 't kamerschaerm
geld dat met iets van spijt werd nageteld toen ik
tenslotte m'n boordje weer had omgeknoopt en
met m'n elleboog een stofje van m'n hoed afveegde-
hoe naakt ze was daarvoor, op altijd weer die lange zwarte
kousen na, die knisperend elkaar soms raakten

zo vergleed de middag, m'n hand langs de trapleuning omlaag
een sterke zuurkoollucht op de portalen en kou
hing in de kleren van de vent die na me kwam
zaagsel stoof voorbij de halte in de Düsseldorferstrasse

Hans Tentije

27 oktober 2005

27 oktober 1990

Niks geen romantic agony

Vandaag is er weer eens herfst: mist, vallende blâren, schimmen
e.d. attributen meer.

Je zou niet op willen staan maar doet het toch,
in de hoop dat het zich wreekt,
bijv. door de komst van de Grote Treurnis,
de Absolute Melancholie, de Zucht naar het Oneindige o.i.d.,
dan heb je dat tenminste nog.

Maar er komt niets:

buiten, op straat,
lopen in de mist op de gevallen blâren schimmige vrouwen;
doodgewoon
onmogelijk is het
ze te zien als Belles Dames sans Merci of Persecuted Virgins.

Hoe je het ook probeert.

Morgen waarschijnlijk weer zo'n dag.

Anton Korteweg


16 oktober 2005

17 oktober 1990

De auto en zijn vrouw

Een auto had een mooie vrouw
die eindelijk van hem scheiden wou,

dus na het parkeren, op een nacht
werd zij vreemd door hem verkracht.

Eerst gebeurde er haast niets.
Toen baarde zij een motorfiets.

Zij reed daar als een gek op rond,
tot men haar in een greppel vond.

MORAAL

De zon maakt bloemen, warmte, hei,
de zee maakt stil - wat maken wij?


Leo Vroman

15 oktober 2005

15 oktober 1990

Najaar

De maan was zilver en de nacht was indigo
en door de bomen van het park speelde de wind -
was het niet zo, chérie, was het niet zo?
en was de ganse wereld ons niet welgezind:
de vogels en de bloemen en het kleine balkon
en alles wat de nacht te zamen vindt?

Nu kwijnen asters in een schrale zon,
de blauwe bloemen van het najaar trachten
nog moed genoeg te zamelen voor de nachten
van dit bruinrood en grijs seizoen.

God heeft een oude linnenkast geopend
en wij kunnen niet uit haar geur vandaan
en haastig door het bruin der wouden lopend
ontmoeten wij 's nachts plotseling de maan,
die wat verwaaider is, minder gevaarlijk
en minder snel tot slechte daad bereid
en bovenal veel minder wonderbaarlijk
dan 's zomers, als een meisje om hem schreit.

Koos Schuur

14 oktober 2005

14 oktober 1990

Oktober

Het hart wordt wild bij 't vallen van de blaren
en voelt verrukt zijn diep verholen kracht,
de boot rukt aan de kabels en wil varen
het is de herfst die ons die boodschap bracht.

Geen zon, geen bloemen, maar de luide, wijde winden
die ons verlossen uit de warme zomerban.
Kom, laat ons nu de wondere liederen vinden,
die ieder kent en niemand zingen kan.

Wat wordt ons deel, verbranden of bevriezen?
Wij weten 't niet, eenieder kiest zijn lot,
het is het heerlijk spel van winnen of verliezen,
kom, speel het vrolijk als een zorgeloze god!

De herfstwind blaast, ha zie de blaren dansen!
Zij rijden op de storm de winter tegemoet,
wij feesten met de dood en 't leven komt ons kransen
met alle bloesems van ons dronken, driftig bloed.

Lisbeth van Thillo

13 oktober 2005

13 oktober 1990

Vergeefse optocht

De paden naar het herfstbos staan te dampen.
De lucht is leeg van vlinders en straaljagers.
Een tak laat druppels in de stilte vallen
Op dorrend blad en 'k hoor de houtduif klagen.

En achter mij, onhoorbaar bijna, hoor ik
De lange rij van mijn verwanten stromplen,
Vaadren en voorvaadren, zij volgen stoorloos:
Gestorvenen, zijn ze eerst voorgoed gestorven

Wanneer ook ik, als laatste, zal verdwijnen
In dit vaalklamme najaar, in de mistige
Kimmen, en ze zijn angstig; mij bereiken
Kunnen ze niet, deze reeds uitgewisten.

Victor E. van Vriesland

7 oktober 2005

7 oktober 1990

Hondje

Er was een pinchertje in het plantsoen
dat maar niet op wou houden met bibberen
of misschien wel wou maar niet kon
of misschien wel kon maar niet wist
wat het dan in plaats van bibberen moest doen.

Judith Herzberg

4 oktober 2005

4 oktober 1990

Herfst met kastanjes

Het is 4 oktober, maar nog mooi, windstil weer.
De bomen staan er roerloos bij
als voetballers wanneer het volkslied gespeeld wordt.

Dit is de klare zang van de herfst.

Natuurlijk: het verval heeft al ingezet,
maar heel rustig, vriendelijk-ingetogen.

Op de tafel staat een schaal met bruinglimmende kastanjes.

Calamiteiten voorbehouden
zullen zij eerder verschrompelen dan ik.

Cees Buddingh'

1 oktober 2005

1 oktober 1990

October

Mijn ramen staan opnieuw op nacht en najaar open,
weer gaat het waaien langs de ramen naar de gracht.
Ik heb gewacht tot ik op niets meer wilde hopen
dat wat nog ieder jaar october heeft gebracht.

De bomen die weer in het laat seizoen verdorren.
De namiddag. En onherroepelijk nabij
zijn allen die al langzaam aarde zijn geworden.
Van oude mensen gaan de dingen nu voorbij.

De grote liefdes komen onder de verweerde
hemel nu ergens voor de laatste keer bijeen:
- Wij hebben steeds gevreesd wat wij het meest begeerden
en elke teerheid liet ons hunkerend alleen.

Alleen. De lege steden en de lege straten
met weer en wind en wat daarin te gronde ging.
En wij, die meer verloren dan wij ooit bezaten,
wij worden stil van zinloze verwondering.

Jean Pierre Rawie

22 september 2005

22 september 1990

In de trein

Terwijl ik mijn ochtendblad
openvouw gaat een jonge
vrouw met een jonge takshond
tegenover mij zitten

het dier reist voor het eerst,
is nerveus, scheurt snel mijn
krant aan snippers, klimt op
het klaptafeltje, bijt in mijn

hand, bijt in mijn pakje
sigaretten, en legt zo de
basis voor een gesprek over
dieren (die van lieverlee

mensen worden) dat duurt tot
Den Haag-Laan van Nieuw Oost-
indië, want daar stapt de jonge
vrouw met de jonge hond uit.

Bert Voeten

17 september 2005

17 september 1990

In de ziektewet

Op een winderige maandagochtend
is de Nieuwmarkt op haar mooist
als oud papier in de portieken
een huppeldansje maakt
en de zwervers op de banken bij het water
de herfst zien naderen als een kromme kale man
weggedoken in zijn zware jas vol kreukels
langzaam van een laatste fles
moed indrinkend voor de winter -

Zo is de Nieuwmarkt op haar mooist
een compositie vol vergane glorie
de noten die ontbreken zijn de namen
van gezichten die niet langer klinken
als de wals die wij hier vroeger speelden

Komend uit de metro
(na urenlange zit in de wachtkamer
van de welvaartsstaat)
kijk ik met weemoed om mij heen
en voel de herfst,
terwijl ik moeizaam voortga,
rukken aan mijn jas.

René Stoute

13 september 2005

13 september 1990

September

Geef mij je mond. September is zoo wrang.
Reik mij ten afscheid nog je beide handen.
Ik weet niet waar mijn zwerven zal belanden.
Een kind is voor het komend donker bang.

Geef mij je mond. Nooit was mijn hart zoo leeg,
als nu kastanjes uit hun bolsters vallen
en blaad'ren waaien langs de grachtenwallen.
't Septemberlicht maakt alle vreugden veeg.

Geef mij je mond. Het regent in den nacht.
Omhuiverd staat het huis van klamme kilte
en bloemen sterven aan der wegen stilte.
De Zomer heeft ons kort geluk gebracht.

Geef mij je mond. Zie mij nog eenmaal aan.
September rooft al mijn verworvenheden:
Je lach, je gouden haar, je jonge leden.
Geef mij je mond. Ik kan, ik kan niet gaan.


Henk Fledder

3 september 2005

3 september 1990

Nazomer

Elke avond wordt het vroeger laat,
geurt de avond zoeter naar verraad.

Langzaam breekt zij haar geboorten af:
hand, niet wetend wat de ander gaf.

Kneus mij, - het zal blijken vroeg of laat
aan de god die door mijn leven gaat.

Ad den Besten

12 augustus 2005

12 augustus 1990

Sonnet voor Pelleboer

Het weer vertoont een ergerlijk gedrag:
het is nu al een zomer lang een kwelling
en elke dag opnieuw in tegenstelling
met wat de dag daarvoor De Bilt voorzag.

De elementen zijn totaal van slag;
zij houden ons in ijzige omknelling
vanaf de Mokerhei tot aan Terschelling
en leiden reeds tot nationaal beklag -

Maar morgen gaat het weer dus op de helling
en overmorgen gaat het overstag
en daarna wordt het dag na dag na dag
steeds beter in steeds hogere versnelling,

wanneer ik de meerdaagse weersvoorspelling
tenminste dit keer wel geloven mag.

Driek van Wissen
Dichter des Vaderlands 2005

31 juli 2005

31 juli 1990

Soms denk ik

Soms denk ik: deze woorden ik ken ze
en kan ze vouwen tot vrouwen
en verdriet en andere mooie dieren
maar andermaal nederlagend aan de avond
moet ik bekennen: van de woorden
kan ik slechts met moeite zinnen maken zonder zin.
Dat is mijn verdriet
althans een deel ervan.
Wat baat het.
Juli is voorbij en augustus nog niet begonnen.
En het komt nooit meer goed,
ik bedoel dat met mij en al de anderen
want ik spreek haast dagelijks stroever
en weldra onverstaanbaar
zoals nu reeds voor velen en onveelbaar voor mezelf.
Dit ondicht daarvoor dus...

Jotie t'Hooft

28 juli 2005

29 juli 1990

Acht uur en de schaduwen lang
langer dan men in juli verwacht
geruisloos augustus geruisloos
de sperwers verbeiden hun tijd.

De tarwe zal vallen als water
het pad in het koren verdwijnt
in geheimschrift gecshreven de zoektocht
de queeste naar tederheid.

Merkbaar de nachten langer.
In een glanzende virginiteit
bloeit hij de late acacia
roomwit in de smartelijke zomer.

Aleidis Dierick

17 juli 2005

17 juli 1990

Zomerloomheid

Nog deze morgen, in de blauwe koelte
Der schaduw, heb ik 't leven zeer bemind;
Nu ben ik overmand van zorg en zoelte
In het vermoeiend spel van zon en wind.

Een ledige van daden en van dromen,
Een mens voor wie niet anders meer bestaat
Dan 't zwatelen der blaren aan de bomen,
En 't stof, dat warrelt langs de droge straat.

Wat blijft voor de vermoeide van dit dolen,
In wie de felle stem der aarde zwijgt,
Tenzij die éne drang, die diep-verholen
Naar dauw, gelatenheid en avond hijgt?

J.C. Bloem

16 juli 2005

15 juli 1990

Zondag

Na de poppenkast naar een
bourgondisch plein, terras
onder een zomerse zondagzon,

net als het woord vroeger
een vaag gevoel van weemoed
begint los te weken
hebben de kinderen
hun ijsjes op,

hun geduld duurt nog
één glas limonade lang

en dan slenteren we
door de straten van de stad
naar huis,

de onstuimig aan ons
trekkende toekomst
manen we tevergeefs
tot rust

Miel Vanstreels

12 juli 2005

12 juli 1990

weer de cicaden
vermoeidheid van de zomer
het werk gedaan, zaden gevormd
alleen nog het verduren van de zon

belofte van leven in de avond
als heuvels in verschillende schaduw
bloemzacht koelte geven

D. Hillenius

1 juli 2005

1 juli 1990

Openluchtconcert

Een klamme en goedkope dag des Heren
komt maar niet af, blijft gonzend transpireren.
Er liggen lege milkshakebekertjes
en pilsblikjes op straat. Een jongetje
loopt er als therapie tegen te trappen.

In keukens wordt de boter rans (of hard).
Onduidelijke vliegjes, net baardharen,
stijgen uit rottend ooft. Slapen gaat naakt
en wil dan nog niet tot de dageraad
waarop het wachten is, vroeg maar toch laat.

Ter compensatie heeft iemand een raam
opengezet waardoor Scarlatti tuimelt
met voor dit weer geschreven oefeningen:
stortbuien, tikwerk, waaiers, onverwachte
ontwakingen in contreien met palmen.

Niet langer walmt de hitte, iets veert op
-de ziel? Een door een wesp onder zijn pruik
gestokene?-, hinkelt nauwkeurig, springt.
We dachten al puffend te moeten sterven
maar hier is iemand die beweert van niet.

Rob Schouten

28 juni 2005

28 juni 1990

Ars Poetica

ik weet het nog als de dag van gisteren
(ik was misschien 22): ik zat
te broeden op een gedicht, en mijn moeder
zat bij het raam de aardappels te schillen

het vers wilde maar niet lukken: het zweet
stond op mijn rug en vol ergernis dacht ik:
hoe kan men in godsherenaam dan ook
poëzie schrijven in een kamer waar
iemand aardappels zit te schillen?

die avond, toen iedereen sliep, maakte ik het
vers af: het was een bijzonder slecht vers

en pas heel veel later begreep ik: de beste
gedichten schrijft men al aardappels schillend

C. Buddingh'

12 juni 2005

12 juni 1990

Avond

Geur van tabak. Je droeg het met je rond
zoals de woorden in je stem. Soms leek
je iets te willen zeggen. Maar je zweeg
meestal, en in je mond

vermoedde ik gesprekken die je achterhield
over geheimen die ik van je wilde leren.
Wel sprak je soms met vreemde heren
zoals de dominee. Achter de deur zat ik geknield

te luisteren. De avond oud. Ik ging
geregeld uit mijn bed om je te horen
vertellen: mijn vader vreemdeling.

Nog steeds zit ik geknield in mijn herinnering
omdat je sprak over de dood en god. Zijn toorn
hing om me heen wanneer ik weer naar boven ging.

Johanna Kruit

8 juni 2005

8 juni 1990

Tijd

De langste dagen breken aan
en trekken aan het kortste eindje.
De lintmeter krult zich al,
klaar voor de maat van de kist.

Hugo Claus

7 juni 2005

7 juni 1990

juni

Nu bloeien overal weer de rozen...
Hoe geuren ze, als ik kom langsgefietst!
Een zinnig mens stapt af en snuift een poosje,
Maar ik fiets verder. Naar niemand en naar niets.

Geert Koefoed

6 juni 2005

6 juni 1990

Lof op de haring

Wie haring eet, herkent men
aan een gezonde teint.
Een haring heeft nog nimmer
het welzijn ondermijnd
De echte haringeter
zwemt beter, naar het schijnt
En de kampeerder houdt er
zijn tent mee overeind
Hoera dus voor de Haring
en dat hij nooit verdwijnt!

Theo Gaasbeek

2 juni 2005

2 juni 1990

Hooikoortsbericht

O zonnestralen en zo'n zachte bries
voert geuren aan en donzen pluisjes.
De lente zorgt voor die vreedzame huisjes
met ons ervoor, rinkelt een theeservies;
buurman onder zijn auto tuurt precies,
op het trottoir hinkelen meisjes
met als ze struikelen de witste kruisjes.
Een bruidsluier loopt pijlsnel uit. Ik nies

onophoudelijk, heersende herfst.
Struiken, weest plavuizen! Woede windkracht tien!
Kleurloze jaspanden, fladdert!
Er gaat een plu vandoor, ha ha...
Gezondheid! Morgen nóg meer lente, dixit journaal.
Zakdoek voor de onomatopeeën. En het einde
dezer bevingen natuurlijk niet in zicht.

Rob Schouten

19 mei 2005

20 mei 1990

Katten houden niet van koffers

Een koffer opent
op de geur van iets
dat gaat gebeuren.

Liefst liepen zij
er niet vlak langs
maar angst voor omvang
maakt aanhalig.

Afscheid vermijden zij
door zelf de wijk te nemen.

Pijn kennen ze,
niet het verstrijken,
die tegenstrijdigheid.

Judith Herzberg

12 mei 2005

Zondag 13 mei 1990 (moederdag)

Moederdag

tussen hapjes slagroom door
in restaurant Formosa
chique thé complet
haar voile opgeslagen
zei mijn moeder
als ik 'n verhouding met je vader had gehad
dan was ik nooit met 'm getrouwd.

Ik ben haar vierde kind
nog steeds.

't Formosarestaurant bestaat niet meer.
Ik nog wel.

Theo Vesseur

11 mei 2005

11 mei 1990

Een gezellig avondje

Mijn moeder is een goede vrouw,
zij houdt veel van mij.
Ik mag haar niet beledigen.

Mijn moeder is een huisvrouw,
maar ik doe alles in het groot.
Bij De Gruyter is de aardbeienjam
deze week goedkoper dan bij
Albert Heijn,
dat weet ik opperbest.
Men krijgt niet voor niets zo veel
reclamefolders in de bus
en dat is voor mensen als ik
boeiende lectuur.
Oei, de met 2 cent per 100 gram
afgeprijsde cervelaat van A & O,
vliegt mij van agressiviteit naar
de strot en Vivo deelt over mij
de lakens uit alsof het allemaal
maar niks kost.

Maar 's avonds, wanneer ik gezeten ben onder de
schemerlamp en aan de overvloedige borst van
de middenstand, beween ik het extra voordeel
van het zoon-zijn.

Kees Ouwens

4 mei 2005

4 mei 1990

4 mei

Hoe gaarne, hoe gaarne zouden de dichters
de daden bezingen van grote goden
die daar wandelen boven de bomen
licht van ons lied en eeuwig leven
van onze sterfelijkheid.

Maar deze lente van wind en tranen
nu ons hart herinnering wordt,
ons oog duisternis, deze avond
zijn wij alleen met ons zelf, ons leven
houdt de adem in,
nu lopen de doden,
die het geweten van onze vrede
die het verleden van onze toekomst
die met ons samen mensen zijn,
tussen ons in in het vorstelijke
het vrolijke het verraderlijke
licht van het voorjaar, de vierde mei.

Jan Willem Schulte Nordholt

29 april 2005

29 april 1990

Senoritas

Lust moet nu eenmaal tevredengesteld
mijn sigaar een gefrustreerde penis
sinds ik meer sigaren rook
word ik ouder

De laatste Lolita, de laatste nimfijn
zal zonder twijfel Judy zijn
ik moet mij daarop voorbereiden
bestand zijn tegen andere meiden

T. is getrouwd en X. is verleden
B. is te jong, J. heeft al een vent:
rook een sigaar en bedenk dan tevreden
dat je nog steeds met dezelfde bent

Kees Winkler

25 april 2005

25 april 1990

'T Nicotiaansche Kruid

Weg met dat stinkend stof! Weg met die vuile dampen,
De lucht en 't heldre licht van tafeltoorts en lampen
Verduistrend, d'ademtocht vertstikkend, en vergift
Voor borst en ingewand! Wat razerny van drift
Kon zoo het menschenras van zelfbesef berooven,
Om dus zich 't leven in den boezem uit te doven?
En, Hemel, alles is aan deze dolheid vast,
En gaat op prikklingsstank en walgingrook te gast!
Euroop, wat zijt ge dwaas! - Van waar toch dit gelusten
Naar 't onkruid, naar 't vergif van Oost- en Westerkusten?
Is 't wonder, daar ge alom en ziekte en gift vergaârt,
Dat lichaamsplaag aan plaag 't verzwakt gestel bezwaart?
Ja, 'k gun u, specery der geurige Molukken,
'k vergun u, wierook, myrrhe uit Yemensgaard te plukken,
verkrikkend, mits met maat genoten. -Maar venijn-?
Uw grond brengt giften voort, indien ze u noodig zijn.
't Ontbreekt aan maankop niet of holle kervelstelen,
indien ze noodig zijn om eenig kwaad te heelen;
maar zeldzaam, zeldzaam ja, en minder dan men 't denkt,
is 't heilzaam, wat uit d'aart het menschlijk lichaam krenkt.

Willem Bilderdijk (1756 - 1831)

22 april 2005

22 april 1990

Meditatie

De stad verandert om je stappen heen
van winkelstraten in verlaten kaden
en regengeur volgt op benzinedamp.
Daar ben je met de pakhuizen alleen
op deze zondagmorgen in april.
Je neuriet wat en gaat waarheen je wil.

Achter de stad ligt nog een restje duin
aan onze greep en gierigheid ontkomen.
De wind begint te ruiken naar de zee
en verderop zie je de meeuwen schuin
de lucht arceren met hun vleugelslag.
Er komt wat zon. Het wordt een mooie dag.

Het zand is nat. Het is nog bijna vloed.
De lege schelpen die de rand versieren
van hoogwater zijn een krakend pad
dat goed begaanbaar is voor mensenvoet.
Voor andere mensen is het nog te vroeg.
Eén wandelaar is op dat uur genoeg.

Soms is het beter buiten te vergeten,
hoe laat de klok sloeg ver weg in de stad
en eenzaam langs de golven heen te lopen
als iemand die de wijzerplaat vergat.
De sporen van je voeten langs de zee
gaan zelden langer dan zes uren mee.


Theo van Baaren

18 april 2005

18 april 1990

Die ochtend in april
waarop mijn vader doodging,
enige tijd nadat het eerste licht gekropen kwam
onder het ongestreken en te kort gordijn
van de speciale kamer voor de stervenden,
die ochtend heb ik voor het eerst
de dood van heel dichtbij gezien.
Hij was niet speciaal gruwelijk,
ook niet een zorgzame verlosser
maar traag en efficiënt.
Hij zat verborgen in de gummi slang
waarmee het doodsgereutel pijnlijk
werd verminderd
en in de zakdoek die niet hielp
tegen het koude zweet
en in de blauwe glans die plotseling
op het gelaat lag,
in de adem die de kamer vulde, waar
geen reukwater meer hielp.
Hij gaf mijn vaders hand de kracht
nog voor een laatste groet
en deed een beetje ouderwets aan
in de plechtige gedaante van een non
die het laken hoger trok
en het dode gezicht nog doder maakte.

Patricia Lasoen

9 april 2005

9 april 1990

Bij de meisjesschool

Een van de overgeschoten
meisjes, een muizesnoetje,
bleek en verlegen, blij
te worden toegesproken,
durfde ik aan, onzeker
en daarom vastbesloten
om mee te doen. Haastig
spraken wij af: om zeven
uur na het eten.
Maar toen het zover was
regende het onbarmhartig. Wie
weet wat de hemel heeft uitgewist!
Een slepende vergissing,
zilveren huwelijk, twee
of drie andere kinderen. Nu
voel ik nóg de verkilling
van al dat water, zie
het verlaten plaveisel, hoor
zeggen: gekkenwerk
om daar doorheen te willen!
Mijn vader in mijn oor.

Guillaume van der Graft

4 april 2005

4 april 1990

Gedicht

Het is zeven uur, 's morgens.
Waarschijnlijk regent het
want ik blijf in bed.

Dat doe ik altijd
als het regent.

Hans R. Vlek

3 april 2005

3 april 1990

's Nachts

De regen van noem mij desnoods geen regen
wordt door geen oor wordt door de huid gehoord.
Booglamplicht geeft waarom daarom zijn zegen;
de hemel zwijgt en zwijgt van enzovoort.

En niemand komt niemand dan niemand tegen.
En iemand zegt ik ben een iemandswoord.
En iemand zegt ik ben maar ben verzwegen.
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.

En wij wijzelf gaan wonderlijke wegen:
wij varen om de tropen van de noord
figuurlijk zelfs met ons figuur verlegen.

En staan op straat en lopen toch weer door 't
noem mij desnoods noem mij desnoods dan regen.
De hemel zwijgt en zwijgt en enzovoort.

Hans Andreus

2 april 2005

2 april 1990

Zelfs in de buien van de maand april
waar alles zoet begint te smaken,
vogels een hele lente maken
en kindren zingen, hoog en schril,

Tast ik de dingen af op hun bestand
met tel van weken, dagen, uren.
Als straks de zomer niet mag duren
wat wordt dan in hem aangerand?

Zinloze vraag. Welig in bloei te staan,
betekent ook: zichzelf verbruiken.
De bloesems die het kwistigst ruiken,
moeten het eerst verloren gaan.

Noch plant, noch dier weten van een getij,
maar ik wil ergens waarden zetten.
Natuur heeft blind haar eigen wetten.
Iedere weemoed komt van mij.

Herwig Hensen

20 maart 2005

20 maart 1990

Lezen is heerlijk

Het kan heerlijk wezen
om een boek te lezen:
boom - roos - vis - vuur
en een boek is heus niet duur.

Hier op bladzij tachtig
is mijn boek zo prachtig,
want daar gaat een wit konijn
naar zijn oma met de trein.

En op bladzij honderd:
pispot omgedonderd.
Ha, wat moet ik lachen, man.
Krijg er bijna buikpijn van.

Maar bij bladzij zeven
huil ik altijd even,
want daar gaat een kikker dood
ergens in een boerensloot.

Willem Wilmink

19 maart 2005

19 maart 1990

Op de ondermijning door het boek

Onproefbaar gif in't dagelijks maal
van rap gelezen en vergeten boeken,
eens helpt gij ons aan de ongeneesbre kwaal,
die't schone leven op papier doet zoeken.

Wij zijn besmetten door de loze taal,
die schaamteloze hoer op alle hoeken
tot wij ontnuchterd mét haar voze praal
de leesbaarheid van haar muziek vervloeken.

Geef mij terug de luttele gebaren
de simpele, zuivre tekens van het dier,
het kleine alfabet voor maag en nier,

verlos mij van drukkunstige gevaren.
Want leven wil ik, nieuw en ongestoord,
zoals in den beginne, vóór het woord.

Karel Jonckheere

15 maart 2005

15 maart 1990

Conflict

Dit is het onrustbarende van boeken
waaruit signalen van de schrijver stromen,
die voedingsbodem en warm onderkomen
bij een ontvankelijke lezer zoeken:

ze splijten mijn gemoed. Verdromen
kan ik mijn dagen niet met te doorvoelen
wat de auteurs bij hoog en laag bedoelen.
De telefoon belt. Klanten gaan en komen.

Lees ik of lees ik niet, is het probleem.
Doe ik het niet dan plaagt mij spijt
over het ongewetene. En bijt
ik toe dan bijt ik door tot het glosseem.

Nabokov, Proust, Camus, ik laat u groeten.
U loopt mij in kantoortijd voor de voeten.

Martin Veltman

14 maart 2005

14 maart 1990 (eerste dag boekenweek)

Onvervreemdbaar

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Zij waren het van kind af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
De tijdelozen, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
De enigen die ons nooit verstoten.

Ida Gerhardt

10 maart 2005

10 maart 1990

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen.
Even blootshoofds en met brede voet.
Rijzend en dalend op haar vloed,
als kleine vogels op haar schoot gezeten,
konden wij lange tijd haarzelf vergeten,
rustend en rondziend en behoed.
Haar stem was donker en wat hees
als schoven schelpjes langs elkander,
haar hand was warm en stroef als zand.
En altijd droeg zij om haar bruine hals
dezelfde ketting met een ronde maansteen,
waar in een neevlig blauw een kleine gele maan scheen.
Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis
waren wij steeds op reis en altijd thuis.

M. Vasalis

7 maart 2005

dinsdag 6 maart 1990

De Brief

Met de brief in haar hand staat zij stil,
de stilte van een bericht in de morgen.
Wie ziet zichzelf zo niet staan, een keer,
met in de hand een brief die nooit meer
dicht kan en te lezen blijft, gelezen blijft.
Dat zo de dag beginnen moest, als het einde
van een dag. Een open enveloppe zonder raad.

T. van Deel

20 februari 2005

21 februari 1990

Ook vogels

Toen ik jong was kon je mussen vaak gretig
in dampende paardevijgen zien happen.

Maar paardevijgen zijn er niet meer,
enkel nog hondedrollen.

En die schijnen niets te bevatten, dat bijdraagt
tot het voedselbestand van de mus.

Ook vogels, denk ik soms, zouden de wereld,
als ze terugkomen konden, nauwelijks herkennen.

Cees Buddingh'

7 februari 2005

7 februari 1990

Pervers

Mijn vader placht te zeggen:
'Eten is pervers.
Dat hoor je strikt alleen te doen,
Liefst achter een gordijntje.'
Maar nimmer zag ik iemand in twee reuzenhappen
Een broodje half-om verzwelgen zoals hij.

Mickey Walvisch

1 februari 2005

31 januari 1990

MIRAKEL

In een maand januari bleef door onbekende
oorzaken het aantal zelfmoorden in de ge-
meente Rotterdam plotseling ver beneden
de gebruikelijke 64 per maand.

Vier en dertig deden het niet

maar waarom dan toch niet
wat heeft hen er plots van weerhouden
waarom zouden ze, zouden ze, zouden
ze, zouden ze niet
wel
niet
welles
wel?

vier en dertig werden mirakel
statistisch met significantie

maar had iemand hen dan goedemorgen gezegd,
goedenavond misschien, wel te rusten?

In de drukte van die januarimaand is dit
wonder van toch nog de moed, of misschien
wel te laf echter onopgemerkt voorbijgegaan.


Riekus Waskowsky

17 januari 2005

15 januari 1990

De Telefoonpaal

Langs het eenzaam spoor
de telefoon-paal.

Hij gonst.
Er is geen ander geluid
langs het eindeloos spoor.
Een wolk drijft over hem
en is onverschillig.
Het landschap 'gaat zijn gang'...
Toch gonst de telefoon-paal dag en nacht,
onder de hemel.
Het is een verlate pijn,
een onophoudelijke klacht...
Als wij hem horen:
ons hart breekt, in zelfpijn verloren.
We weeten dat over de ganse wereld
de telefoonpaal klaagt,
alsof ons eigen smart
aan zijn draden knaagt.

Karel van den Oever

25 december 2004

Scheurkalender

Op zoek naar een Duits woordenboek vond ik 'Meulenhoffs Dagkalender 1990 Nederlandse Poëzie', samengesteld door Hans Warren. In een sedert 1991 onuitgepakte verhuisdoos.
Een ongescheurde scheurkalender. Waarom ik niet gescheurd heb weet ik niet meer. Gelezen heb ik waarschijnlijk ook niet, behalve wat bladerend voor het jaar begon, denk ik.

De weekdagen kloppen natuurlijk niet met de kalender van 2005. De eerste dag van 1990 was een maandag, nu beginnen we al op zaterdag. We lopen dus meteen al twee dagen voor. En dan is het jaar nog maar net begonnen...

Ik heb in de jaren voor 1990 veel gelezen van Hans Warren. Gedichten, Stenen voor een Ransuil en ook zijn Geheime Dagboeken. Die laatsten hebben mij destijds geïnspireerd zelf ook een dagboek te gaan bijhouden.
Op 25 oktober 1986 noteerde ik bijvoorbeeld, om 13.38 uur (!):

'Ik heb nog niet eerder zo lang geaarzeld voor ik een notitie ben begonnen. Al vanaf gisteravond stel ik steeds uit te schrijven over wat nu duidelijk is geworden: de afstand tussen D. en mij is definitief geworden. Gisteravond heeft ze hier gegeten voor we naar de verjaardag van haar vader zouden gaan. Tijdens de maaltijd vertelde ze me, ongemakkelijk, dat ze een andere vriend heeft. Een Engelsman (C.) die een half jaar in Nederland werkt en dan weer vertrekt. Ontmoet in Fame!! Ze was bang, natuurlijk, natuurlijk dat ik erg gekwetst zou zijn. Dat was ik niet. Wat meteen duidelijk maakte dat we al verder uit elkaar gedreven zijn dan uit ons doen en laten bleek. Wat dat betreft erg verhelderend dus in de mistige situatie zoals we die hadden laten ontstaan.'

Maar nu ben ik nogal afgedwaald. Ik vond immers een Poëtische scheurkalender en zal daar zo nu en dan eens een gedicht uit overnemen. Vandaag bijvoorbeeld het gedicht 'Kerstnacht' van Ida Gerhardt.


Kerstnacht - het woord is al een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren - op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.

Kerstnacht - het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en
het opgaan van de ster, een lichtend teken.

Kerstnacht - het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en verstuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij ongestild bewaarden.